Een berijmd en beroemd avontuur.
Lewis Carroll kennen we allemaal als de schrijver van Alice in Wonderland. Maar achter het pseudoniem schuilde Charles Lutwidge Dodgson, een man met nog veel meer bijzondere ideeën en verhalen. In 1876 verschijnt The Hunting of the Snark, een verhaal dat ontstond uit Carrolls eindeloze verbeelding. De grote vraag is meteen: wat is een sneer eigenlijk?
The Hunting of the Snark gaat over een onmogelijke reis van een onwaarschijnlijke bemanning op zoek naar een onvoorstelbaar wezen. Het verhaal volgt een groep van tien zonderlinge figuren die met een schip vertrekken om een mysterieus dier, de Snark, op te sporen. Met kaarten, aanwijzingen en allerlei vreemde hulpmiddelen proberen ze hun doel te bereiken. Maar hoe verder de reis vordert, hoe absurder en dreigender alles wordt. Wanneer de bakker uiteindelijk de Snark vindt, verdwijnt hij spoorloos: de Snark blijkt namelijk een Boojum te zijn.
Vele personages passeren de revue: de belleman, de hoedbandenier, de biljarter-markeur, de beursspeculant, een tamme bever, de baliebepleiter met bef, een beenhouwer-slager die als chef aan boord fungeert, een banketbakker, een bankier en een bediende. “Even tellen… ja, dat maakt de belleman de tiende.”
Er zijn opvallend veel overeenkomsten tussen The Hunting of the Snark en Alice’s Adventures in Wonderland. In beide werken neemt Carroll de vertrouwde regels van de werkelijkheid en draait hij ze op een speelse manier om. Zoals Alice via een konijnenhol in een wereld met vreemde wetten terechtkomt, belandt de bemanning van de Snark in een universum waarin taal en logica voortdurend verschuiven. De gesprekken tussen de personages klinken vreemd, maar volgen binnen hun eigen absurde regels toch een zekere samenhang.
Ook de titelkeuze van de Nederlandse vertaling is bijzonder. Vertaler Robbert-Jan Henkes koos niet voor het onvertaalbare woord “Snark”, maar voor “sneer”, een poging om hetzelfde raadselachtige en speelse effect op te roepen als Carrolls oorspronkelijke vondst. De Snark is immers geen gewoon dier of bestaand begrip, maar een woordgrap en een fantasiewezen tegelijk. Het woord lijkt ergens te zweven tussen snake (slang) en shark (haai), maar ontsnapt uiteindelijk aan elke vaste betekenis. Juist dat ongrijpbare maakt de Snark zo typisch Carrolliaans.
“Een nastoot in negen horten” is geen onderdeel van het verhaal zelf, maar een nawoord van de vertaler. In dat essay legt de vertaler uit hoe hij The Hunting of the Snark naar het Nederlands heeft omgezet en waarom dat een uitzonderlijk moeilijke vertaalopdracht was. Hij heeft het over negen horten of te overwinnen obstakels die zo een vertaalwerk kenmerkt.
“Het is overbekend, nadat hij het zelf vertelde, dat Lewis Carroll ‘The hunting of the Snark’ achterstevoren schreef. Hij kreeg op zekere wandeling in de Vrije Natuur van een hogere instantie de regel ‘for the snark was a Boojum, you see’ doorgespeeld, die de laatste regel ergens van, moest zijn. En dat ‘ergens van’ moest Carroll er toen bij verzinnen en wel een beetje op het bouwen van een huis en beginnen met het dak.”
Deze uitgave bevat de oorspronkelijke tekeningen van Henry Holiday uit 1876 , die voor deze editie opnieuw zijn ingekleurd door Floris Tilanus.
De vertaling van The Hunting of the Snark door Robbert-Jan Henkes verscheen recent bij uitgeverij Van Oorschot.
Kramp zevenig
Het lot van de bankier
We zochten met dopjes, we zochten met zorg,
we zochten met vorken en hoop,
We dreigden met rente en teruggaaf van borg,
we paaiden met slijmen en stroop.
Toen werd de bankier plots bevangen door moed,
een gevoel dat hij nimmer te nooit had ervaren.
Het deed iets uitzonderlijks met zijn gemoed,
en hij beende het bos in, ongeacht de gevaren.
Maar! — op zijn moedige weg door het woud
trof de bankier een nieuwsgierige bandersnaai,
die hem meetrok tot diep in het kreupele hout,
hoe de held zich ook weerde met moedig lawaai.
Een bandersnaai heeft
de kop van een haai,
de kras van een kraai,
het kleed van een papegaai,
en je raakt hem niet een-twee-drie kwijt:
als hij je beet heeft, dan laat hij niet los:
’t is een schat, daar niet van, een lieve kolos —
probleem is alleen: zijn aanhankelijkheid.
De bankier, onverschrokken, schreeuwde en gilde.
Uit alle macht riep hij manmoedig om hulp:
hij bood hem, de bandersnaai, korting en losgeld,
hij bood percentages, hoe hoog hij maar wilde,
maar knijp me’ riep hij, ‘alsjeblieft niet tot pulp!’
Op de komst van de rest liet de bandersnaai los,
en verdween. De bankier zakte in met een schreeuw:
zijn vest, toen hij moedig vertrok groen als mos,
was van pure manmoedigheid nu wit als sneeuw;
zijn knieën die klepperden moedig – en hoe! –
zijn grimassen moesten thans boekdelen spreken
aangaande het plotse vestiaire verbleken,
want zijn tong deed er moedig het stilzwijgen toe.
‘Genoeg tijd verdaan en verspeeld en vergooid!’
riep de belleman luid en hij luidde zijn bel.
‘Niet langer getalmd en geprutst en geklooid!’
en hij luidde zijn bel extra schel —
‘Op naar de sneer, nu of nooit!’
Lewis Carroll (1832-1898)
uit: De klopjacht op de sneer (Van Oorschot, 2026)

| Lewis Carroll | De klopjacht op de sneer | verkrijgbaar op: 17 juli 2026 | ISBN 9789028264236 | 72 pagina’s | €17,50 |
Ik lees al een tijd Contentimento en bewonder de weg die je in het leven met succes hebt waar gemaakt. Ik besef meer dan ooit hoeveel pijn ik je heb aan gedaan. Ik weet dat je het me nooit kan vergeven, maar ik wil toch dat je dit weet.
Jan