De autobiografie vertelt het verhaal van een zeer moedige zwarte vrouw met een bewogen levensloop (1921–1986). Haar positie als métis is daarbij allesbehalve toevallig. Het koloniale systeem koesterde een diep misprijzen voor kinderen die geboren waren uit een witte koloniale vader en een zwarte moeder. Bij haar geboorte was haar vader veertig en haar moeder veertien.
Als driejarige wordt ze naar een klooster gestuurd voor meisjes ‘van gemengde rassen’. Wanneer de nonnen haar richting een huwelijk willen dwingen, weet Blouin te ontsnappen. Ze zou nadien twee keer trouwen.
Toch duurt het tot ze zelf moeder wordt vooraleer haar wereld kantelt. Haar zoontje krijgt malaria, maar medicijnen zijn onbereikbaar: hij is een métis. Zijn dood is het moment waarop ze gepolitiseerd raakt.
“De dood van mijn zoon politiseerde me, zoals niets anders dat ooit had gekund. Door de opstandigheid die me na de eerste pijn overweldigde, door de verbijstering en bitterheid van mijn verdriet, begon ik het kolonialisme in Afrika vanuit een totaal ander gezichtspunt ge bekijken.”
Ze werden ‘kinderen van de zonde’ genoemd en voerden een levenslange innerlijke strijd: het verlangen naar de moeder die meestal op afstand werd gehouden, en de afwezige witte vader die hen niet wilde erkennen. Dat roept meteen twee vragen op: hoe kun je dit als kind verdragen, en hoe kun je later met die pijn omgaan en toch een waardevol leven uitbouwen?
“Als straf voor de misdaad geboren te zijn uit een witte vader en een zwarte moeder, bracht ik mijn eerste jaren door in een kindergevangenis bij de nonnen: het weeshuis voor meisjes van gemengd bloed in Brazzaville, in Frans-Congo, tijdens de donkere jaren van het kolonialisme in Afrika.”
“Honger was een constante metgezel, die zo wreed in onze buik tekeerging dat we die met water vulden om het gevoel te onderdrukken. De non die ons bewaakte, at natuurlijk niet hetzelfde besmette voedsel. Ze dineerde met andere zusters in de eetzaal van de nonnen, honderd meter van de onze verwijderd. Uit hun gebouw kwamen tergend heerlijke geuren op ons af, en we probeerden ons de geweldige maaltijden voor te stellen die wij nog nooit hadden geproefd.”
Na de dood van haar zoontje René verhuist Andrée Blouin met haar tweede man naar Guinee. Daar begint haar tweede leven, volledig gewijd aan Afrikaanse onafhankelijkheid en nationalisme. Door haar activisme, gecombineerd met haar strijd voor vrouwenrechten in Congo, komt ze terecht in de kring van Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders — en in die van Patrice Lumumba.
Wanneer Lumumba bij de onafhankelijkheid de eerste premier wordt van de Democratische Republiek Congo, kiest hij Blouin als zijn chef protocol en speechschrijver. Dat wordt haar niet in dank afgenomen door westerse critici. Na Lumumba’s afzetting en moord wordt Blouin uit Congo uitgezet.
Vanuit Parijs blijft ze tot het einde van haar leven trouw aan haar overtuigingen. Blouin sterft in 1986 op 65-jarige leeftijd, maar is tegen die tijd depressief. Haar dochter verwoordt het zo: “Ze was moedeloos geworden over de onderdrukking die zelfs na het kolonialisme voortduurde.”
Het boek schetst een intieme en intense geschiedenis van het kolonialisme, met aangrijpende scènes uit Blouins leven, en leest bijzonder vlot.
Uitgeverij EPO, Afrika, mijn land. Autobiografie van een zwarte pasionaria, met een voorwoord van Nadia Nsjayi. Van haar verscheen eerder bij EPO het boek Dochter van de kolonisatie.
Laat een reactie achter