Als kleine jongen is de negenjarige Martin Ook ernstig ziek. Hij moet zich overleveren aan wat artsen hem allemaal aandoen. En dat is niet mis met een slecht werkende urineblaas wordt nogal eens de naald gehanteerd! Eenmaal genezen neemt hij zich voor dat niets of niemand hem ooit nog op die manier kan bedreigen. Maar of hij zo ontsnapt? Zijn defensieve houding maakt hem niet zo een goede zoon, een slechte broer en een gemarkeerde levenspartner. En juist wanneer hij dat als vader lijkt te overwinnen, wordt hij ingehaald door de werkelijkheid, die hem weer opsluit in zijn eigen verhaal.
Wat als je het gevoel hebt dat je gevangenzit in een verhaal?
Eentje dat je dat je dan nog wel jezelf hebt wijsgemaakt. En is ons eigenste verhaal wel origineel en bepalen we zelf wel hoe het klinkt? Veel vragen stelt Marc Reugebrink zich af in deze roman.
Martin verhuist veel. De roman is chronologisch opgebouwd naar de woonplaatsen waar Martin gaat wonen. We volgen hem naar zijn nieuwe steden en zien telkens hoe zijn verhoudingen met zijn ouders, vrienden, zus en vriendinnen evolueren meestal naar een scherpe kant toe. Elke stad biedt een nieuw narratief die je naar eigen believen kunt (her)schrijven. De roman is dus opgebouwd uit zes hoofdstukken die de namen dragen van steden: Rotterdam (1969), Los Angeles (1976), Londen (1981), Haren (1992), Oldenburg (2004) en Berlijn (2024), steeds vergezeld van jaartallen.
Reugebrink zegt het treffend: “Dat het mogelijk was om toch telkens weer aan het begin te staan, als kon je ontkomen aan wie je onderwijl geworden was.”
Heel ontroerend vond ik het verhaal tussen zijn zus Aline en hem. De complexe verhouding van de verteller ten opzichte van de stervende vader, de bezorgdheid van de moeder en de schuldgevoelens tegenover zijn zus geven het verhaal emotionele diepte.
” Een week na de crematie keerde Aline terug naar London, naar Tarek, om bij thuiskomst te ontdekken dat zijn ex-vrouw Vera, de moeder van hun kind, haar intrek had genomen in Manciple Street. Haar spullen stonden in dozen en tassen in de toch al nauwe gang. Een moment lang had het haar verlamd. Ze stond daar in het schemerduister van de gang en keek naar Tarek, die in de deuropening van de woonkamer stond, een paar keer schaapachtig zijn schouders ophaalde en weinig meer zei dan dat hij een vrouw nodig had en dat zij er niet was geweest; achter hem stond Vera.”
Later sterft zijn zuster in een auto-ongeval. Ondertussen woonde ze terug in Nederland.
“Ik was geen broer meer, zo ik het al ooit werkelijk was geweest. Ik had geen vader. Ik wist niet of ik van hem gehouden had, ik wist niet of ik van Aline gehouden had. Ik was alleen nog zoon van een moeder met een voortaan voor mij onpeilbaar verdriet, die in mij alleen nog zag wat ik door omstandigheden nu voorgoed geworden was: de laatste die was overgebleven en daardoor, nog meer dan vroeger, degene op wie ze ze al haar angsten en bezorgdheden projecteerde, alles waartegen ze me nu ook niet zou kunnen beschermen, waartegen ze me – dat maakte ik met mijn nukkige, soms ronduit kribbige houding meer dan duidelijk – ook niet mocht beschermen.”
De romen ‘Laatse man’ stelt een vraag die ons allen aanbelangt. Is het mogelijk om werkelijk vrij te zijn, los van wat de tijdgeest ons, vaak zonder dat we het weten, oplegt. En als die vrijheid niet mogelijk is, kun je dan schuldig zijn aan wat de omstandigheden je ingeven?
Kijk, daar zijn nu tal van boeken over neergeschreven, en dat van de in Gent wonende Marc Reugebrink, is zeker een verdienstelijke poging. Een prachtige roman.
Marc Ruegebrink. Laatste Man is uitgegeven bij Querido. 22,99 Euro voor 272 pagina’s.
Laat een reactie achter